
Essay I: Wat gebeurt er? https://foam-canopy-3d2.notion.site/I-Wat-gebeurt-er-3b4e17dfa7e980bc8e92d810d21410be Essay II: Wat betekent dat? Voor meer informatie laat je gegevens achter op: [email protected] Pieter Entrop
Wie over langere perioden naar de geschiedenis kijkt, krijgt soms de indruk dat onder de zichtbare gebeurtenissen een terugkerend ordeningsprincipe werkzaam is. Alsof beschavingen zich niet uitsluitend ontwikkelen doordat mensen steeds betere oplossingen bedenken, maar doordat telkens nieuwe mogelijkheden ontstaan die een volgende ontwikkelingsfase openen.
Bij scherp kijken ontdekken we dat schaarste daarin een bijzondere rol speelt. Zij maakt zichtbaar waar ontwikkeling een volgende stap zoekt. De geschiedenis lijkt daarvan talrijke voorbeelden te kennen. Schaarste aan voedsel maakte landbouw noodzakelijk. Schaarste aan energie gaf de industriële revolutie haar enorme betekenis. Schaarste aan informatie bracht bibliotheken, universiteiten en uiteindelijk het internet voort.
Steeds opnieuw lijkt hetzelfde patroon zichtbaar. Wanneer een samenleving een hardnekkige schaarste weet te overwinnen, verandert er meer dan alleen het oorspronkelijke probleem. Er ontstaat ruimte voor nieuwe mogelijkheden. Juist die mogelijkheden blijken vaak het begin van een volgende ontwikkelingsfase.
De landbouw maakte niet alleen een einde aan de voortdurende zoektocht naar voedsel - de mens als jager. Zij schiep de voorwaarden voor vaste nederzettingen, specialisatie, handel, bestuur en cultuur. De industriële revolutie vergrootte niet alleen de productiecapaciteit. Zij veranderde de schaal waarop mensen konden samenwerken en bracht nieuwe economische en politieke ordeningen voort. De digitale revolutie maakte informatie vrijwel overal toegankelijk en veranderde daarmee wetenschap, communicatie, economie en bestuur.
Steeds opnieuw lijkt hetzelfde te gebeuren. Niet de oplossing van een schaarsteprobleem zelf vormt het eindpunt van ontwikkeling. Zij opent een deur naar nieuwe ontwikkelingsruimte. Naar zaken die daarvoor nog buiten bereik lagen. Vanuit dat perspectief krijgt ook kunstmatige intelligentie een andere betekenis. Behalve een technologische doorbraak vormt zij dan ook een nieuw momentum in een veel oudere keten van ontwikkelingsprocessen van beschavingen.
Eeuwenlang was er aan menselijke intelligentie een vanzelfsprekende schaarste. Vrijwel iedere maatschappelijke institutie weerspiegelt dat uitgangspunt. Onderwijs ontwikkelt kennis. Universiteiten verdiepen haar. Professionele opleidingen onderscheiden expertise. Organisaties verdelen verantwoordelijkheden op basis van deskundigheid. Bestuurlijke functies vragen ervaring, inzicht en beoordelingsvermogen.
Soms lijkt het wel bijna een bewuste ontwerp-strategie hoe die veranderingen gestalte krijgen. Wat bijna nooit zo is. Maar het begint wel met de noodzaak anders naar de werkelijkheid te kijken. Dan is er een groep van vooroplopers die dat het eerst in de gaten krijgt.
Dat intelligentie een schaars vermogen was heeft eeuwenlang nauwelijks terdiscussie gestaan. Dus dat was het uitgangspunt om de maatschappij in te richten. Nu voor het eerst wordt deze vanzelfsprekendheid doorbroken. Niet doordat menselijke intelligentie verdwijnt. Niet doordat kunstmatige intelligentie de mens noodzakelijkerwijs zal vervangen. Maar doordat een deel van de cognitieve vermogens waarop onze samenleving is gebouwd, steeds breder beschikbaar komt.
Analyseren. Vergelijken. Patronen herkennen. Scenario's ontwikkelen. Voorspellingen doen. Taken waarvoor lange tijd hoogopgeleide specialisten noodzakelijk waren, kunnen steeds vaker worden ondersteund door intelligente systemen.
Dat is uiteraard geen marginale ontwikkeling. Nu gebeurt er iets dat in de geschiedenis van de beschaving nauwelijks een precedent kent. Dit spoort ons aan naar de fundamentele betekenis van kunstmatige intelligentie te zoeken. Is die gelegen in de extrapolatie dat zij slimmer wordt dan de mens? Wat betekent het precies dat een schaarste begint te verminderen die onze beschaving eeuwenlang diepgaand heeft gevormd?
Maar laten we het eens vanuit het effect op de mens bekijken, bijna vanuit een antropologische invalshoek:
Wat gebeurt er eigenlijk wanneer intelligentie ophoudt het belangrijkste onderscheidende vermogen van de mens te zijn?
Opmerkelijk genoeg gaat de publieke discussie daar maar zelden over. Wij vragen vooral wat kunstmatige intelligentie binnenkort zal kunnen. Wij vragen welke beroepen verdwijnen. Welke economische gevolgen te verwachten zijn. Welke risico's beheerst moeten worden.
Dat zijn begrijpelijke vragen. Misschien zijn zij echter niet de eerste vragen diegesteld zouden moeten worden. Ook een eerste vraag kan zijn:
Welke nieuwe ontwikkelingsruimte ontstaat er voor de mens wanneer intelligentie minder schaars wordt?
Dat is een wezenlijk ander perspectief. Het richt de aandacht niet op wat verloren gaat. Maar op wat zichtbaar wordt. Iedere eerdere ontwikkelingsfase heeft immers niet alleen bestaande beperkingen weggenomen. Zij heeft ook nieuwe menselijke mogelijkheden geopend.